Textiel ABC

Van ANTI-VLEKKEN tot ZIJDE, een woordje uitleg over textiel in ABC-vorm.

a

ANTI-VLEKKEN: Met de term ‘anti-vlekken’ wordt veelal verwezen naar een behandeling die stoffen vocht - en vuilwerend en bijgevolg zeer onderhoudsvriendelijk maakt.  Deze behandeling is een nabehandeling en het afstotende karakter vermindert na een aantal wasbeurten.  Een populair product waarmee vocht - en vuilwerende eigenschappen worden verkregen is Teflon.

AFWASBAAR: ons nieuwste tafellaken, de EASY CLEAN, is zo vervaardigd dat hij niet meer in de wasmaschine hoeft! Afwassen met water en een sponsje is de boodschap!

AJOUR: of ajouré verwijst naar een weeftechniek waarbij in de stof kleine, decoratieve openingen worden geweven in een bepaald motief.  Door de trage productiecyclus is het een relatief dure weeftechniek.  De term verwijst naar de openingen, waardoor het ‘daglicht door de stof kan schijnen’.

b

BADSTOF: een katoenachtige stof met aan één of beide kanten uitstekende lussen. Voor de vervaardiging wordt bij het weven een extra kettingstelsel, de lussenketting, gebruikt. Badstof komt ook als breisel voor en wordt dan lussentricot genoemd.

BEDRUKKEN: het opbrengen van patronen en dessins op dessins in één of meerdere kleuren.

BIAISBAND: een diagonaal uit weefsel gesneden strookje waarvan de beide randen naar binnen worden geslagen. Deze bandsoort is vervormbaar en daardoor geschikt om ronde naden en rafelkanten af te werken.

BIEZEN: het naaien van een bies, veelal een satijnband, om de rand van een stof waardoor rafelen van een stof wordt voorkomen.

BINDING: samenspel tussen de ketting – en inslagdraden in een weefsel waardoor een weefpatroon ontstaat.   Voorbeelden van bindingen zijn de satijnbinding, de keperbinding.

BLEKEN: het behandelen van natuurlijke vezels en plantaardige materialen waardoor ze van hun natuurlijke kleurstoffen worden ontdaan en wit of nagenoeg wit worden.

c

CHENILLE: een effectgaren met uitstekende draadeindjes dat via een speciale weef-of breitechniek ontstaat. Het chenillegaren heeft het uiterlijk van een rups. Men spreekt eveneens van chenille bij een stof waarin een pool getuft is, zoals bij chenillespreien.

COATING: een kunsstof die op stoffen als afdeklaag wordt aangebracht.

CONSTRUCTIE: samenspel tussen de ketting – en inslagdraden in een weefsel waardoor een weefpatroon ontstaat.   Voorbeelden van bindingen zijn de satijnbinding, de keperbinding.

COTONISEREN: het totaal verwijderen van de pectine zodat de technische vezels van de vlasplant uiteenvallen in de elementaire vezels. (zie ook 'linnen')

d

DAMAST: algemene benaming voor stoffen voor Jacquard geweven patronen, verkregen door afwisseling van ketting-en inslagsatijn of ketting- en inslagkeper. Kenmerkend voor damast zijn de grote patronen met vaak gebogen lijnen of geometrische figuren.

DEKBED: een omhulsel van zeer licht geweven stof, voorzien van een vulling van dons, haar of synthetisch materiaal. Om de vulling op zijn plaats te houden wordt een dekbed doorgestikt of van tussenschotjes voorzien.

DEKBEDOVERTREK: een overtrek dat het dekbed tegen vuil beschermt, maar ook het slaapkamerinterieur verfraait.

DENIER: nummering die de dikte van het garen aangeeft. Hoe lager het nummer, hoe dunner het garen.

DESSIN: figuurtekening/ patroon in breisels, weefsels en non-wovens.

DONS: de fijnste, van watervogels afkomstige, schachtloze veertjes. De volumeverhouding die bestaat uit minimaal 65% dons en 35% veertjes mag ook dons genoemd worden.

e

f

FILAMENT: oneindig lange vezel. De draad is niet opgebouwd uit korte vezels, zoals katoendraad. Zijde en synthetische grondstoffen komen in filamenten voor.

FLANEL: een katoenen stof in keper- of platbinding met een donsachtig laagje dat ontstaat door de stof aan één of twee zijden licht te ruwen.

FLESSENHALSSLUITING: afwerking van dekbedovertrek. Wanneer een flap aan de dekbedovertrek hangt (om onder de matras te leggen). Andere afwerking is hotelsluiting.

FLOCK PRINT: textieldruktechniek waarbij in een eerste bewerking d.m.v. zeefdruk een lijmlaag op de stof wordt aangebracht.  In een tweede bewerking worden in een elektrisch veld ‘flockvezels’ (polyamide) loodrecht in de lijmlaag ‘geschoten’.  Na droging zijn de vezels sterk in de lijmlaag verankerd en ontstaat er een viltoptiek.

g

GAREN: een getwiste of getwijnde verzameling van vezels of filamenten. Een gesponnen draad die voor weven, breien, naaien en borduren wordt gebruikt. De verscheidenheid in garens is zeer groot.

GARENGEVERFD: ‘Garengeverfde’ stoffen worden geweven met garensoorten die na het spinnen in een verfbad een bepaalde kleur hebben gekregen.  De stoffen worden dus geweven met gekleurde garens. 

GARENNUMMER: systeem dat wordt toegepast om de dikte van garens aan te geven. Hoe hoger het garennummer, hoe dunner het garen.

GARENSTELSEL: een systeem van garens/draden waarmee een weefsel wordt opgebouwd. Elk weefsel heeft minstens twee garenstelsels: de kettingdraden en inslagdraden.

GESANFORISEERD: katoenen stoffen die krimpvrij gemaakt zijn.

GRAND FOULARD: een grand foulard is een decoratiestuk om over een zetel te leggen. De mogelijkheden en afwerkingen zijn eindeloos.

h

HALFDONS: aanduiding voor de volumeverhouding 15 tot 30% dons en 85 tot 70% veertjes.

HALF PANAMA: bij de ‘half Panama-binding’ wordt doorgaans een dikke inslagdraad gebruikt die telkens twee kettingdraden overspant.

HEALTH GUARD: behandeling op stof die zorgt voor een bescherming tegen virussen, huisstofmijt, funghi, muggen en bacteriën.

HOESLAKEN: een laken dat als een hoes om een matras past. Een hoeslaken is meestal voorzien van elastische hoeken.

HOTELSLUITING: afwerking van dekbedovertrekken. Opening aan de onderzijde met knopen (Zie ook 'flessenhalssluiting')

i

INSLAG: het garenstelsel dat bij weven in de breedterichting van de stof loopt.

j

JACQUARDWEEFSEL: algemene benaming voor stoffen met ingeweven, veelal grote patronen.

JERSEY: engelse naam voor een breisel.

k

KATOEN: een plantaardige vezel die als zaadpluis in de vrucht van een katoenplant voorkomt. De katoenvezels, waarvan de lengte 1 tot 4 cm bedraagt, zitten na het plukken nog vast aan katoenzaden; na het ontzaden kan de katoen worden gesponnen. Winning van katoen en bewerking tot een verspinbare vezel zijn eenvoudig, waardoor de prijs van de grondstof in vergelijking met wol, zijde en linnen laag is. Van alle textielvezels wordt katoen het meest gebruikt, o.m. vanwege een aantal superieure eigenschappen: groot vochtopnemend vermogen, grote sterkte en bestendig tegen hitte, loog, chloor, zonlicht en motten.

KETTING: de draad die bij het weven in de lengterichting van de stof loopt.

l

LINNEN: natuurlijke vezel die wordt verkregen uit de bast van een vlasplant. Deze vastvezel heeft door het grote aantal bewerkingen een hoge prijs. Door zijn lange vezelstructuur en het hoge gehalte aan wasachtige bestanddelen heeft linnen een mooie glans die in de was niet verdwijnt. Linnen is zeer sterk, heeft een zeer groot vermogen tot opname van vocht, is uitstekend bestand tegen hitte en loog en wordt niet door motten aangetast.

m

MAKO: Met de term ‘Mako’ worden vandaag alle glanzende katoenen satijnstoffen aangeduid.

MATRASBESCHERMER: een beschermer van het matras tegen vuil en vocht die ook warmte-isolerende en vochtverwerkende eigenschappen heeft. De eenvoudigste uitvoering is de moltondeken van grove katoen.

MOLTON: grove, dikke, katoenen stof, aan beide zijden geruwd.

n

NONWOVEN: een stof, samengesteld uit natuurlijke en /of synthetische vezels/ filamenten die door chemische, thermische of mechanische middelen met elkaar verbonden zijn.

o

ORGANZA: een weefsel dat op glasbatist lijkt en is vervaardigd van kunstmatige filamentgarens.

OVERLOCKSTEEK: een steek met één of meer draden voor een elastisch stiksel, dat wordt toegepast voor het afwerken van rafelranden en in sierstiksels.

p

PANAMA: de Panama-binding of ‘Java-binding’  (2 op, 2 neer) is een eenvoudige variatie op de effenbinding (1 op, 1 neer).

PERCALE: een zeer dicht geweven katoenen stof in platbinding. Deze fijne kwaliteit wordt gebruikt voor donsdichte overtrekken van dekbedden.

PICOTINE: smalle randgarnering.

PLACE MAT: een klein dekservet dat het gebruik van een tafellaken of een ontbijtlaken overbodig maakt. Placemats worden van de meest uiteenlopende stoffen gemaakt.

PLAID: kleinere, dunnere en minder harige uitvoering van een deken, in zuiver wol.

PLATEAU: vlakke gedeelte van matrasbeschermer met 4 elastieken.

POLYAMIDE: een synthetische grondstof die als ‘nylon’ zijn grote bekendheid kreeg en als merknaam ook een soortnaam is geworden.

POLYESTER: een synthetische grondstof die in vergelijking met nylon beter bestand is tegen licht en beter te stabiliseren valt, waardoor een grotere vormvastheid wordt verkregen.

q

QUALITY CONTROL: controle van zowel grondstoffen als afgewerkte goederen. Wordt zowel door eigen medewerkers, als door professionele labo's gedaan.

r

s

SANITIZED: merknaam van een bacteriewerend middel.

SATIJN: merknaam voor dicht geweven stoffen in satijnbinding.

SATIJNBINDING: een binding waarbij de kettingdraden en de inslagdraden elkaar minstens vier op één neer of één of vier neer kruisen. Het hierdoor verkregen kettingsatijn of –inslagsatijn vertoont geen kenmerkende lijnen, is gladder dan weefsels in platbinding of keperbinding en is aan voor- en achterkant altijd verschillend van uiterlijk.

SCHEREN: een bewerking waarbij de uitstekende vezeleindjes van stoffen worden verwijderd.

SERVET: doek om bij de maaltijd mond en vingers af te vegen. Een servet is onderdeel van het tafelgoed. Een servet meet 50 bij 50 of 60 bij 60 en wordt nogal eens als garnituur bij tafellakens verkocht.

SLOOP: een overtrek voor een hoofdkussen, meestal geconfectioneerd met de hotelsluiting, waarbij zich in de sloop een inslag van 20 cm bevindt.

STOELHOES: decoratiemiddel voor stoelen. Bestaat in verschillende kleuren en afwerkingen.

STUKGEVERFD: als tegenhanger van garengeverfde stoffen kennen we onder meer ‘stukgeverfde’ artikelen.  Deze producten worden met ongeverfde garens geweven en pas in een later stadium van het productieproces als stof of afgewerkt product in een verfbad ondergedompeld.

SUEDE: een leersoort waarvan de vleeszijde van de huid zo wordt afgewerkt dat een veloursachtig uiterlijk onstaat.

t

TAFELLINNEN: verzamelnaam voor tafellaken, tafelloper en servietten

TRICOT: een algemene benaming voor een breisel.

TEFLON: wanneer een stof met Teflon behandeld is, is deze water- en vuilafstotend. Strijken van deze stof doet men best op de ommezijde.

u

UNI: wordt gezegd van stof in één kleur.

v

VIER-SEIZOENENDEKBED: combinatie van twee dekbedden met verschillend vulgewicht, die m.b.v. klitteband, ritssluitingen, of drukknopen aan elkaar worden verbonden.

VOILE: een dunne, open en doorzichtige stof in platbinding van hooggetwiste garens.

w

WOL: dierlijke textielvezel, afkomstig van de vacht van het schaap. Wol neemt veel, maar langzaam vocht op. De vezel heeft een geringe treksterkte maar een grote elasticiteit en vormvastheid. Wol heeft een zeer groot warmte- isolerend vermogen.

x

y

z

ZIJDE: een dierlijke vezel die wordt gesponnen door de zijderups. De rups spint 2 draden, filamenten tegelijk. Zijde neemt snel en veel vocht op, het is de sterkste natuurlijke vezel en is zeer veerkrachtig.

ZETELHOES: decoratiemiddel voor zetels. Bestaat in verschillende kleuren, afmetingen en afwerkingen.